De molens van Don Quichote

Consuagra, 29 februari

Vandaag staan de molens van Consuegra op het programma. De molens waar Don Quichote tegen vocht, omdat hij dacht dat het reuzen waren. Uit de verte zagen we ze al staan; een rij statige witte molens, bovenop de berg. Het blijken er twaalf te zijn, maar we krijgen ze niet allemaal in één keer te zien. De zon staat trouwens verkeerd om ze echt goed te zien. Als je door je oogharen kijkt, en een gezonde dosis fantasie op het tafereel loslaat, zouden het best reuzen kunnen zijn.

We rijden de berg op en krijgen een beter zicht op de verschrikkelijke monsters. Ik wil op m’n gemak een paar foto’s maken. Een uitgelezen moment, want er was behalve ons niemand te zien. Voordat ik goed en wel mijn fotocamera heb gericht op de witte reuzen zie ik in m’n ooghoek een bus het tafereel binnenrijden. Ik dacht in alle rust te kunnen werken, maar nu moest ik me haasten. Te laat, daar waren ze al. De deur van de bus gaat open en een massa mensen verspreidt zich over het terrein. Het blijkt een bus vol Japanse toeristen te zijn, zoals we in Toledo ook meerdere malen zagen. Ik voel me even Don Quichote en wil deze 'monsters' te lijf gaan.


Gelukkig hebben ze slechts een kwartiertje de tijd om rond te kijken en foto’s te maken. Dan is het gebied weer voor ons. In de verte komt de volgende bus alweer aan, opschieten dus.



“De Voorzienigheid leidt onze zaken nog beter dan wij konden wensen: want kijk eens daarginds, vriend Sancho Panza, die dertig of meer ontzaglijke reuzen! Die denk ik te bestrijden en te doden. Met de buit zullen wij ons verrijken: dat is goed krijgsrecht en men bewijst God een grote dienst door dat boze gebroed van de aardbodem te laten verdwijnen.”
“Welke reuzen?” vroeg Sancho Panza.
“Die je daar ziet”,antwoordde zijn meester, “met hun grote armen. Want er zijn reuzen met armen van twee mijlen lang!”



“Kijk eens goed, heer”, antwoordde Sancho. “Wat zich daar vertoont, zijn geen reuzen, maar windmolens; en wat bij hen op armen lijkt zijn wieken, die, door de wind rond gedraaid, de molensteen in beweging brengen.”
“Ik zie wel,” antwoordde Don Quichote, “dat je nog niet veel van de wereld afweet. Reuzen zijn het, en indien je bang bent, ga dan opzij en bid, terwijl ik mij met hen in een vreselijke en ongelijke strijd ga begeven".


Uit: Don Quichote van La Mancha; Miguel de Cervantes Saavedra [eerste deel 1605, tweede deel 1615]

Peter

Geen opmerkingen:

Een reactie posten